Ontheffing mondkapjesplicht

Bijgewerkt: wo 20 oktober 2021 - 13:53 uur

> Start

Vooruitlopend op het einddoel, de afschaffing van de mondkapjesplicht, vraagt Ray Heijder uit Vaassen een persoonlijke ontheffing van de verplichting aan bij de ministers die de ‘Regeling aanvullende mondkapjesverplichtingen covid-19’ per 1 december 2020 hebben ingevoerd.

Vervolg

  1. Ontvangstbevestiging 17 december 2020
  2. Ingebrekestelling 8 juli 2021
  3. Ontvangstbevestiging ingebrekestelling 12 juli 2021
  4. MinVWS sjoemelt en schuift af op burgemeester van Epe 7 september 2021

Aanvraag ontheffing mondkapjesplicht

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Ministerie van Justitie en Veiligheid en
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

t.a.v. de ministers,
H.M. de Jonge, F.B.J. Grapperhaus en K.H. Ollongren

Vaassen, 14 december 2020

Geachte ministers,

Hierbij verzoek ik, R.M.F. Heijder, wonende aan [woonadres] te Vaassen, u om mij te ontheffen van de mondkapjesverplichting die is vastgelegd in de ‘Regeling aanvullende mondkapjesverplichtingen covid-19’, voluit ‘Regeling van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 november 2020, kenmerk 1784379-214492-WJZ, tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met de invoering van aanvullende verplichtingen om een mondkapje te dragen.’ Hierna te noemen ‘de Regeling.’

Met deze aanvraag vraag ik u om als bestuursorgaan een schriftelijke beslissing te nemen, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Mijn verzoek is een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1.3.

Grond
De grond voor mijn aanvraag is dat ik mij persoonlijk niet kan verenigen met de Regeling en daarbij aanloop tegen onoverkomelijke gewetensbezwaren bij het gehoor geven daaraan.

De aanvraag is noodzakelijk omdat ik geen beroep kan doen op de uitzonderingen als genoemd in artikel 2a.4 tot en met artikel 2a.8 van de Regeling.

Middels een toelichting hierna – waarbij ik toekom aan een gedeeltelijke inhoudelijke behandeling van de Regeling – ondersteun ik mijn aanvraag en de aangevoerde grond.

TOELICHTING

Redenen voor de aanvullende mondkapjesverplichting
De eerste reden die de Regeling aanvoert voor de mondkapjesplicht is het treffen van een voorziening voor gevallen waarbij het niet lukt om voldoende afstand te houden. De reden kan voor mij geen stand houden omdat ik naar mijn oordeel in staat ben om – op de plekken waar ik kom en waar de mondkapjesplicht geldt – voldoende afstand kan houden. Met de Regeling wordt mij het recht ontnomen om daarin eigen verantwoordelijkheid te dragen.
Daarnaast geldt volgens de vaste jurisprudentie dat een zwaarder middel niet mag worden aangewend als hetzelfde resultaat met een lichtere variant (in casu social distancing) kan worden bereikt.

De tweede reden die de Regeling aanvoert, ligt op het vlak van het tegengaan van het verspreiden van het virus. Dit wordt in verband gebracht met levensbelang. De Regeling ondermijnt dat echter met de erkenning van de beperkte beschermingsmogelijkheden van niet-medische mondkapjes alsmede met de in artikel 2a.4 tot en met artikel 2a.8 opgenomen uitzonderingen. Het virus kan nu door personen die tot de uitzonderingen behoren worden verspreid waarmee zij het levensbelang bedreigen.

Beleid moet consequent zijn en hier is dat niet het geval. Met het inbouwen van uitzonderingen in de Regeling schenden de ministers wet- en regelgeving die zij tegelijkertijd juist aanhalen om de Regeling te rechtvaardigen.

Het meest verwerpelijke – zeker tegen het licht van levensbelang – van deze reden is echter dat erbij wordt erkend dat de bescherming van het niet-medisch mondkapje beperkt is.
Hiermee nemen de ministers eerder een loopje met het belang van bescherming van de volksgezondheid en het recht op gezondheidszorg als mensenrecht dan dat zij er zich werkelijk om bekommeren. Bovendien wordt geheel voorbijgegaan aan de gezondheidsrisico's van het dragen van een mondkapje.

Als derde reden geeft de Regeling dat niet-medische mondkapjes de toenemende druk op de zorg kan (niet zal) beperken doordat de overdracht van andere luchtwegvirussen enigszins tegen worden gegaan. Het bezwaarlijke van deze reden is dat het op voorhand de tijdelijke aard van de Regeling ondermijnt aangezien er – kan worden aangenomen dat er – altijd andere luchtwegvirussen zullen zijn. Daarnaast lijkt hier sprake te zijn van een – in dit geval niet alleen figuurlijke, maar ook letterlijke – verkapte bezuinigingsmaatregel binnen de zorg.

Het meest verwerpelijke van deze aangevoerde reden is echter het zwaktebod ‘enigszins’.
Men bedenke hierbij dat het wettelijk niet is toegestaan om in de auto te volstaan met een geïmproviseerde autogordel van bijvoorbeeld een sjaal of op de motor met een vergiet als helm om enigszins bescherming tegen mogelijk letsel te bieden.

Ook de vierde en laatste reden rust op een instabiele basis. Vooral de uitzonderingen in de Regeling geven in de uitvoeringspraktijk aanleiding voor meer onduidelijkheid bij de vraag of mondkapjes wel of niet gedragen behoren te worden. De handhaving blijkt in de eerste periode na de inwerkingtreding van de Regeling dan ook een gatenkaas en is vatbaar voor creatieve, legitieme ontwijking. Dit wordt nog eens versterkt door het bij de inwerkingtreding van de Regeling niet eens op orde hebben van de administratieve ondersteuning voor het opleggen van de boetes.

Verhouding tot de andere maatregelen
De Regeling stelt dat een mondkapje niet als vervanging van social distancing en (hand)hygiënemaatregelen geldt. Het blijft van belang om afstand te houden, handen te ontsmetten, in de elleboog te niezen en hoesten en thuis te blijven bij klachten.

Het is moreel verwerpelijk dat de Regeling de onmacht van de ministers om social distancing – met maatregelen die wel effectief zijn – af te dwingen dan maar te compenseren met een mondkapjesverplichting die nota bene door de ministers in de Regeling toegegeven niet of maar zeer beperkt effectief is.

Tot zover de toelichting.

Ik vertrouw erop dat mijn aanvraag binnen de wettelijke termijn door u wordt behandeld.

Hoogachtend,

R.M.F. Heijder
Vaassen