Brief aan het college

> Burgerexperimenten
> Kostendelersnorm bijstand, een doorn in het oog

De reactie op de ingebrekestelling lijkt onrechtmatig. Ray Heijder maakte daar richting de afzender (inkomensadviseur) een opmerking over zonder er verder op dit niveau op in te gaan. Hij stelt namelijk dat dit verder aan het college van gemeente Epe moet worden voorgelegd. Hieronder zijn brief aan het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Brief Ray Heijder naar het college

Gemeente Epe
College van burgemeester en wethouders

Kopie aan:
Gemeente Apeldoorn

Eenheid Activering en Inkomen
per adres (e-mail) [naam]@apeldoorn.nl

Vaassen, 18 september 2020

Onderwerp: maatwerk kostendelersnorm (zaaknummer: 177819)

Geacht college,

Op 17 september 2020 om 12:49 uur is door de eenheid Activering en Inkomen van gemeente Apeldoorn een e-mailbericht aan mij gestuurd (zie bijlage).

In reactie daarop heb ik de afzender meegedeeld dat ik in dat bericht op verschillende punten onrechtmatig overheidshandelen aantref. Tevens heb ik gemeld dat ik de behandelend functionaris van de uitvoeringsorganisatie in deze fase niet als rechtmatig gesprekspartner zie omdat een en ander zich op bestuursrechtelijk vlak begeeft. Daarom schrijf ik nu uw college aan.

Kader
Van toepassing zijn de wettelijke plicht (vanuit de Participatiewet én de Algemene wet bestuursrecht), de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

  1. Een aanvraag kan onder wettelijke bepaalde voorwaarden buiten behandeling worden gelaten om bestuursrechtelijke redenen. Dat is een besluit over de wijze van behandeling van een aanvraag.
  2. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist een zorgvuldige voorbereiding van besluiten.
  3. De kernwaarden van behoorlijkheid dienen in acht te worden genomen (Behoorlijkheidswijzer).
  4. In het maatschappelijk verkeer is het betamelijk om tijdig te reageren en elkaar redelijke reactietermijnen te gunnen. Het is onbetamelijk om de grenzen van wat de wet voorschrijft en aan mogelijkheden biedt op te zoeken als dat niet nodig is of om dat te doen met een te eenzijdig belang.

Vaststelling
Gezien het voornoemde kader, stel ik op de volgende punten uit het e-mailbericht van de eenheid Activering en Inkomen van de gemeente Apeldoorn de volgende afwijkingen vast:

  1. Gemeente Epe heeft zich niet gehouden aan de doorzendplicht. De aanvraag werd niet – onverwijld – naar gemeente Apeldoorn doorgestuurd.
  2. Het is spreekwoordelijk twee voor twaalf als de ingebrekestelling wordt behandeld. Niet is gebleken of dit te wijten is aan gemeente Epe of aan gemeente Apeldoorn. Er is uit het bericht van 17 september 2020 niet af te leiden wanneer de ingebrekestelling in handen van gemeente Apeldoorn is gesteld. Voor belanghebbende is de schuldvraag overigens niet relevant.Een behandeling van een ingebrekestelling op de valreep is op zich niet verkeerd als er dan maar een beslissing kan worden genomen. Hier is echter sprake van een besluit dat kennelijk nog helemaal moet worden voorbereid en waarbij de gemeente zich te elfder ure realiseert cruciale informatie van belanghebbende te missen.
  3. Er is niet binnen de wettelijke termijn een beslissing meegedeeld aan belanghebbende over de wijze van behandeling van zijn aanvraag. Gelet op de woordkeuze van de gemeente had dit een beslissing ‘buiten behandeling laten’ moeten zijn.
  4. Aan belanghebbende is – binnen de wettelijke termijn – geen verzoek tot aanvulling van de aanvraag gedaan. Kennelijk – zoals te laat blijkt - was aanvulling nodig.
  5. Pas naar aanleiding van de ingebrekestelling en eerst na ruim 10 weken (ruim over tijd) wordt gesteld dat er geen sprake is van een verzoek dat als aanvraag kan worden behandeld.
  6. Gelet op het voorgaande punt moet de aanvraag thans inhoudelijk worden behandeld wat betekent dat er een voor bezwaar vatbare beslissing op de aanvraag moet volgen.
  7. Het verzoek om meer informatie op 17 september 2020 duidt erop dat de gemeente (alsnog) overgaat tot inhoudelijke behandeling, echter zonder het verzoek van belanghebbende als aanvraag te erkennen.
  8. De aanvultermijn die aan belanghebbende wordt gegund, staat volstrekt niet in verhouding met de termijn die de gemeente onnodig heeft laten verstrijken sinds de datum van het verzoek. Het kan niet zo zijn dat de gemeente heel lang treuzelt en vervolgens van de belanghebbende eist om nagenoeg per omgaande te reageren.
  9. De ongepaste haast die de gemeente nu heeft, kan geen andere verklaring hebben dan het gegeven dat de tweewekentermijn na de ingebrekestelling tegelijk met de gestelde reactietermijn, te weten 21 september 2020, verstrijkt en de dwangsom begint te lopen. Dit onthult dat de gemeente de aanvraag toch als aanvraag in de zin van de Awb ziet (of vreest te moeten gaan zien).
  10. Tot slot geeft de gemeente aan dat er na het ontvangen van de informatie van belanghebbende een besluit zal worden genomen. Dit strookt niet met het niet als aanvraag erkennen van het verzoek. Het zou consequent zijn om het dan te hebben over het inwilligen of afwijzen van een verzoek.

Conclusies

  1. Er moet een beslissing worden genomen op de aanvraag van 5 juli 2020 in een voor bezwaar vatbaar besluit.
  2. Gelet op de verstreken termijnen zal dit besluit er waarschijnlijk toe leiden dat de gemeente een dwangsom verbeurt. Die kan worden beperkt door het besluit verder zo min mogelijk uit te stellen.
  3. Er moet aan belanghebbende een redelijke termijn worden gegund om aanvullende informatie te leveren. Deze termijn schort de dwangsom niet op. De gemeente heeft dit aan zichzelf te wijten door te hebben getreuzeld.

Ik ben er niet op uit om een dwangsom in de wacht te slepen en zie dit middel als een prikkel die aanzet tot het alsnog nemen van een besluit. De gemeente heeft echter een situatie met tijdsdruk laten ontstaan die een dwangsom niet kan voorkomen.

Om schade voor de gemeente te beperken, ben ik bereid tot het opschorten van de ingebrekestelling bij een schriftelijk voornemen van het bestuursorgaan tot het nemen van een voor bezwaar vatbaar besluit op de aanvraag. Hierbij wil ik een zeer redelijke termijn van een week die eindigt op 28 september 2020 om de gevraagde aanvullende informatie aan te leveren. Vervolgens kan ik akkoord gaan met een uiterlijke datum besluit: 12 oktober 2020.

Is de gemeente niet tot het schriftelijk voornemen tot een besluit en de genoemde termijnen bereid - of neemt zij geen besluit alsnog - dan beschouw ik de ingebrekestelling onverkort van kracht en zal ik kort na 21 september 2020 een beroep ‘niet tijdig beslissen’ indienen bij Rechtbank Gelderland.

Hoogachtend,

R.M.F. Heijder