In beroep tegen beslissing op bezwaar

Bijgewerkt: do 24 juni 2021 - 12:05 uur

> Start
> In je hemd staan in de bijstand

24 juni 2021 - Gemeente Epe heeft op 8 juni 2021 het bezwaar tegen het 'besluit Traject naar werk' ongegrond verklaard op zo'n wijze dat het voor Ray Heijder alleen nog maar erger is geworden. Aanleiding om in beroep tegen de beslissing op het bezwaar te gaan.


Rechtbank Gelderland
Afdeling Bestuursrecht
Postbus 9030
6800 EM Arnhem

Onderwerp : Beroep tegen beslissing op bezwaar 255433
Kenmerk : JZ/AW/DOS-2021-010132

Vaassen, 24 juni 2021

Geachte rechtbank,

Op 8 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders een beslissing genomen op het bezwaarschrift in zaak 255433. Het bestuursorgaan heeft besloten het bezwaarschrift ontvankelijk en ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten onder aanpassing van de motivering en toevoeging van het wettelijk kader.

Ik, R.M.F. Heijder (hierna: belanghebbende) wonende aan [adres] te Vaassen, ben het niet eens met de beslissing op mijn bezwaarschrift en dien er een beroepschrift tegen in.

Mijn beroep is gegrond op beantwoording van de volgende rechtsvragen:

  1. Was het bestuursorgaan gerechtigd een besluit te nemen?
  2. Kan het bestreden besluit met de aanpassing en toevoeging in de beslissing op het bezwaarschrift voldoende rusten op het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play?

Was het bestuursorgaan gerechtigd een besluit te nemen?
Een besluit kan volgens de Algemene wet bestuursrecht worden genomen als er sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarbij moet er een beoogd rechtsgevolg zijn: er moet sprake zijn van het ontstaan, wijzigen en/of beëindigen van een recht, rechtspositie en/of rechtsverhouding.

Het nemen van een besluit kan worden geïnitieerd uit eigen beweging van het bestuursorgaan en/of door een aanvraag (een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen).

Er is geen sprake van een aanvraag, waarmee het besluit uitsluitend volgt uit een beweging van het bestuursorgaan.

Het bestreden besluit geeft onvoldoende duidelijkheid op de vraag of het terecht is genomen. De onduidelijkheid is gelegen in een motiveringsgebrek en in onderdelen opgenomen in het bestreden besluit waarop reeds op 21 oktober 2016 met de beschikking Participatiewet algemene bijstand een besluit is genomen en aan belanghebbende bekendgemaakt. Er is geen sprake van een wijziging in die onderdelen die een aanvullend besluit kan rechtvaardigen. Het betreft hier de algemene arbeidsverplichting, zijnde het verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid zonder gebruik van een door het bestuursorgaan noodzakelijk geachte voorziening als bedoeld in Participatiewet artikel 9, aanhef en eerste lid onder a.
Door het toevoegen van het wettelijk kader na behandeling van het bezwaarschrift is niet meer in het geschil dat het bestuursorgaan heeft bedoeld een voorziening aan te bieden als bedoeld in Participatiewet artikel 9, aanhef en eerste lid onder b. Die bedoeling is door het bestuursorgaan duidelijk gemaakt door het na bezwaar aanhalen van artikel 7 eerste lid van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Epe (de voorziening is daarin aangeduid met ‘Bemiddeling gericht op arbeidsinschakeling’).

Conclusie:
Vanwege de noodzakelijk geachte voorziening – die blijkens het in de beslissing op het bezwaarschrift toegevoegde wettelijke kader wordt aangeboden – was het bestuursorgaan gerechtigd om een besluit te nemen.

Het overige – de verplichtingen die reeds zijn geborgd in de beschikking Participatiewet algemene bijstand van 21 oktober 2016 – geeft geen rechtvaardiging voor het nemen van een besluit.


Kan het bestreden besluit met de aanpassing en toevoeging in de beslissing op het bezwaarschrift voldoende rusten op het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play?

Zorgvuldigheid
Het bestuursorgaan is van mening dat er voldoende maatwerk is geleverd en er een zorgvuldige op de persoon toegesneden afweging is gemaakt. Voorbijgegaan wordt hierbij aan het bezwaar van belanghebbende met betrekking tot het negeren van al zijn bijdragen tijdens de voorbereiding van het primaire besluit. Alleen dit al is een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

De argumenten van het bestuursorgaan over het twee maanden gericht mogen solliciteren en het naar voren mogen brengen van een zienswijze treffen geen doel. Respectievelijk is het altijd toegestaan gericht te solliciteren (de wet biedt geen ondersteuning voor het beperken hiervan) en is het de gelegenheid geven een zienswijze te brengen waardeloos als er vervolgens niets mee wordt gedaan (zelfs niet het met onderbouwing buiten beschouwing laten).

Voorts heeft het bestuursorgaan het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door de noodzaak van een plan van aanpak afwisselend te erkennen en te ontkennen. Na de beslissing op het bezwaarschrift is zelfs nog steeds niet duidelijk welk definitief standpunt het bestuursorgaan hierin heeft.

Motivering
Het bestuursorgaan heeft erkend dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en heeft dit geprobeerd te herstellen door het wettelijk kader toe te voegen.
Dit is mislukt; het motiveringsgebrek is groter geworden.

Het bestuursorgaan heeft in de beslissing op bezwaar aan elkaar tegenstrijdige motiveringen opgenomen. Met het aanhalen van artikel 7 eerste lid Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Epe beoogt het bestuursorgaan een voorziening aan te bieden zoals bedoeld in Participatiewet artikel 9, aanhef en eerste lid onder b. Met het aanhalen van artikel 3 vijfde lid van de Verzamelverordening erkent het bestuursorgaan dat er vanwege het aanbieden van die voorziening een plan van aanpak moet worden opgesteld. Tegelijkertijd gaat het bestuursorgaan in de fout door Participatiewet artikel 44 vierde lid aan te voeren als grond voor ontheffing van de plicht tot het opstellen van een plan van aanpak bij het aanbieden van een voorziening. Met artikel 44 heeft de wetgever bedoeld dat voor jongere bijstandsgerechtigden altijd een plan van aanpak moet worden opgesteld, daar waar het voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder alleen is vereist wanneer een aangeboden voorziening (waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling) of een onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van toepassing is (Participatiewet artikel 9, aanhef en eerste lid onder b).

Het bestuursorgaan is – net als in het bestreden besluit – in de beslissing op het bezwaarschrift er niet aan toegekomen de noodzaak te motiveren van de aangeboden voorziening ingevolge artikel 2 eerste lid van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Epe en zoals deze is beschreven in artikel 7 eerste lid van de Verordening (aangeduid met ‘Bemiddeling gericht op arbeidsinschakeling’). Niet is gebleken dat het bestuursorgaan onderbouwd heeft vastgesteld dat belanghebbende niet in staat is om zonder voorziening te voldoen aan de algemene arbeidsverplichting noch heeft belanghebbende een aanvraag gedaan voor de voorziening of enig andere voorziening.

Het bestuursorgaan is er niet in geslaagd te rechtvaardigen dat er verplichtingen in het bestreden besluit worden opgelegd waar belanghebbende zich al sinds 21 oktober 2016 met de beschikking Participatiewet algemene bijstand ongewijzigd aan gehouden weet. Daarvoor is geen nieuw besluit nodig. Wel een nieuw besluit is nodig als een (re-integratie)voorziening wordt aangeboden. Het besluit is dan bedoeld om de uitwerking van de ondersteuning vast te leggen alsmede de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen voor zover dat nog niet is geborgd via de toewijzingsbeschikking algemene bijstandsuitkering.

Het bestuursorgaan is niet toegekomen aan een motivering voor de nadere invulling van de algemene arbeidsverplichtingen. De enkele mededeling dat e.e.a. voortvloeit uit de wet is niet toereikend, immers verplichtingen vloeien doorgaans (of anders altijd) voort uit een of andere wet.

Het bestuursorgaan heeft verzuimd om voldoende en met de juiste persoonsgegevens (met feiten die kloppen) te motiveren waarom belanghebbende niet wordt ondersteund door werkbedrijf Lucrato, maar in plaats daarvan door de trajectregisseur.

Het bestuursorgaan stelt dat belanghebbende zich hoe dan ook aan de re-integratieverplichtingen moet houden. Deze stelling – in het bijzonder de toevoeging ‘hoe dan ook’ – kan geen stand houden als deugdelijke motivering terwijl er net daarvoor is erkend dat er sprake moet zijn van het leveren van maatwerk en een voorziening het resultaat moet zijn van een zorgvuldig op de persoon toegesneden afweging. Het bezwaren van het besluit door belanghebbende zou het bestuursorgaan redelijkerwijs tot twijfel moeten brengen en tot de bereidheid om hangende bezwaar en beroep de werking van het besluit op pauze te zetten. Hiermee ook mogelijke nadelige gevolgen van uitvoering van het besluit voor zowel belanghebbende als voor het bestuursorgaan voorkomend.

Niet meer in het geschil is het woordgebruik ‘alle arbeid is passend’ en ‘gemaakte afspraken’. Dat is in de beslissing op het bezwaarschrift vervangen door ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ en ‘opgelegde verplichtingen’. Een nieuw geschil is ontstaan door de beslissing op het bezwaarschrift: de in het besluit opgevoerde elementen (in het plan van aanpak) zijn voortgekomen uit de primair gehanteerde terminologie. Niet zeker is thans vast te stellen of met de secundair gehanteerde terminologie de elementen nog te rechtvaardigen zijn. Dat moet opnieuw worden onderzocht. Zie ook hierna bij ‘Rechtszekerheid’.

Fair play
Er is sprake van obstructie doordat het bestuursorgaan langdurig (sinds najaar 2019) belanghebbende heeft belemmerd bij de wettelijke plicht tot medewerking aan het opstellen van een plan van aanpak.

Het afwisselend erkennen en ontkennen van de noodzaak van een plan van aanpak is niet aan te merken als eerlijk spel van het bestuursorgaan.

Belanghebbende kan het bestuursorgaan met betrekking tot de goede bedoelingen van het afstemmingsgesprek (1 april 2021) hangende het bezwaar niet volgen. Als het bestuursorgaan werkelijk eerlijke bedoelingen had en de menselijke maat zou respecteren, zou er goed aan zijn gedaan om het bestreden besluit hangende het bezwaar op pauze te zetten. In plaats daarvan heeft het bestuursorgaan zich onvermurwbaar verzet tegen een voorlopige voorziening en blijft zich daar ook tegen keren blijkens de houding van het bestuursorgaan tijdens de behandeling van een herhaald verzoek om een schorsing van het bestreden besluit (zitting 15 juni 2021).

De beslissing op het bezwaar laat meer oneerlijk spel zien: het bestuursorgaan stelt daarin dat een plan van aanpak niet verplicht is, nadat geruime tijd werd ingezet op het opstellen daarvan. Daarbij werd belanghebbende lang in de waan gelaten dat zijn inbreng welkom was en er iets mee zou worden gedaan. Tenslotte werd nog druk uitgeoefend op belanghebbende om het plan van aanpak te tekenen terwijl het bestuursorgaan wist dat dit niet eens vereist is.

Het bestuursorgaan legt belanghebbende in de beslissing op het bezwaarschrift woorden in de mond die tot de foutieve conclusie hebben geleid dat belanghebbende het niet zozeer oneens is met de gemaakte afspraken (eigenlijk opgelegde verplichtingen). Belanghebbende is het juist wel oneens daarmee, wat dan ook één van de gronden van het bezwaarschrift is. Ook onjuist is dat belanghebbende behoefte zou hebben aan duidelijkheid en dat er wordt gecommuniceerd in lijn met (de gebruikte terminologie in) de van toepassing zijnde wetgeving. Hier is echter geen sprake van een behoefte, maar van een recht van elke belanghebbende. Er moet in elk geval, altijd en bij iedere belanghebbende, in lijn met de wetgeving worden gecommuniceerd.

Belanghebbende verkeert door eigen onderzoek in de stellige overtuiging dat het bestuursorgaan er onvoldoende voor waakt dat een tot het bestuursorgaan behorend werkzaam persoon bij de afdeling Afdeling Juridische Zaken Gemeente Apeldoorn met een belang bij het besluit en andere besluiten de besluitvorming stelselmatig beïnvloedt. Deze specifieke persoon is ook telkens bij bezwaar- en beroepszaken de gemachtigde van het bestuursorgaan. Belanghebbende kan zijn overtuiging met medewerking van het bestuursorgaan onderbouwen. Die medewerking is echter tot op heden geweigerd.

Rechtszekerheid
Het bestuursorgaan moet een besluit zodanig formuleren dat belanghebbende weet waar hij aan toe is en wat van hem wordt verlangd. Bovendien moet het bestuursorgaan de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.

Tijdens de bezwaarfase is naar aanleiding van een gesprek met belanghebbende op 1 april 2021 gesleuteld aan de inhoud van het plan van aanpak als onderdeel van het bestreden besluit. Zo ontstonden twee versies van het plan van aanpak. Het is niet duidelijk welke elementen uit de twee plannen – die eerst ten onrechte met ‘gemaakte afspraken’ werden aangeduid en na herstel met ‘opgelegde verplichtingen’ – zijn meegenomen in het in stand gelaten bestreden besluit. Het bestuursorgaan heeft in de beslissing op bezwaar daarover niets gespecificeerd. Belanghebbende weet hierdoor niet aan welke opgelegde verplichtingen hij zal worden gehouden. Bovendien weet hij nu niet voor welke resterende opgelegde verplichtingen hij naar zijn oordeel eventueel procesbelang heeft bij bezwaar en/of beroep.

Conclusie:
Doordat ook na de beslissing op het bezwaarschrift het in stand gelaten bestreden besluit onvoldoende rust op het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play moet het bestreden besluit worden vernietigd.

Hierbij zij opgemerkt dat het bestuursorgaan in het besluit niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet wordt benadeeld. Op basis van de uitgebreide overwegingen en toelichting in dit beroep stelt belanghebbende dat het aannemelijk is dat hij wel wordt benadeeld als het besteden besluit (ook na de beslissing op het bezwaarschrift) in stand wordt gelaten.

Het staat het bestuursorgaan uiteraard vrij om na vernietiging van het besluit een nieuw besluit te nemen.

Hoogachtend,

R.M.F. Heijder