Voorbereiding op zitting wrakingszaak

Bijgewerkt: wo 2 juni 2021 - 13:42 uur

> Start
> Aanvraag, ingebrekestelling en dwangsom
> Aanvraag onderzoek misstanden en rectificatie

Op maandag 29 maart 2021 om 15:30 uur vond in Arnhem de zitting plaats waarin een wrakingsverzoek van Ray Heijder werd behandeld door de wrakingskamer.

Mede met het verweerschrift van de gewraakte rechter bereidde Ray zich voor. Zie hier zijn voorbereiding die hij tijdens de zitting heeft ingeleverd bij de griffier.

Uitspraak wordt tegen 15 april 2021 verwacht.

Moment van wraking

De gewraakte rechter maakt in zijn verweer een opmerking over het moment van wraking. Hij merkt op dat belanghebbende pas heeft gewraakt nadat in een andere zaak (door dezelfde rechter) uitspraak is gedaan die belanghebbende onwelgevallig is.

Belanghebbende beschouwt dit als stemmingmakerij in een poging om het wrakingsverzoek als niet-ontvankelijk aan te laten merken.

Belanghebbende heeft hier zelf het volgende over op te merken:

Belanghebbende heeft vooropgesteld geen ervaring met het wraken van een rechter. Eerst na de zitting van de zaak waar de wraking betrekking op heeft, is hij op onderzoek gegaan waarbij hij kennis nam van de mogelijkheid tot wraking. Ook ontdekte hij dat wrakingsverzoeken een zeer lage slagingskans hebben. Met name het laatste deed hem twijfelen of hij tot wraking over zou moeten gaan. De uitspraak in een andere zaak trok hem over de streep om toch een poging te wagen.

Belanghebbende heeft een bezwaard gevoel over de door hem waargenomen vooringenomenheid (partijdigheid) van de rechter en vindt dat het recht moet zegevieren.

Ook wil hij Rechtbank Gelderland de hand reiken door aan te dringen op het goede te doen en hij wil daarmee zwaardere procesgang (hoger beroep) voor alle partijen proberen te besparen.

Niet uitgewerkte gronden

De gewraakte rechter stelt vervolgens vast dat belanghebbende de gronden voor de wraking niet heeft uitgewerkt. Hierin heeft de rechter gelijk, maar belanghebbende heeft aangenomen dat het noemen van de gronden voldoende was voor het indienen van een wrakingsverzoek.

Nu er kennelijk daardoor door de rechter niet inhoudelijk op kon worden gereageerd en waarschijnlijk de wrakingskamer er ook onvoldoende aan zal hebben, zal belanghebbende in de zitting op 29 maart 2021 aan een uitwerking proberen toe te komen, als volgt.

Vooropgesteld merkt belanghebbende op dat hij zich moet baseren op dat waar hij herinnering aan heeft. Hij beschikt niet over het proces-verbaal (zittingsverslag) van de zitting van het beroep.

Opportuun en eenzijdig aanwenden van de Algemene wet bestuursrecht ten faveure van de verweerder (bestuursorgaan)

De rechter stelde zich onvermurwbaar - en naar het oordeel van belanghebbende vooringenomen - op in de stelling dat de primaire aanvraag van belanghebbende geen aanvraag in de zin van de Awb is, dat er daardoor geen sprake kan zijn van een besluit en derhalve ook niet van een ingebrekestelling om het nemen van een besluit af te dwingen.

De rechter volgde verweerder hiermee zonder meer in de stelling dat er geen wettelijke grondslag voor het indienen van een aanvraag is. Hij voerde aan dat er geen sprake is van een beoogd rechtsgevolg dat vraagt om een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit terwijl er volgens belanghebbende wel degelijk een wettelijke grondslag is (Awb, Afdeling 3.2. Zorgvuldigheid en belangenafweging) alsmede een beoogd rechtsgevolg (herstel en normalisatie van zijn rechtspositie).

Belanghebbende heeft in het proces op ambtelijk niveau (niet in de bestuursrechtelijke procedure) in verwarring geschreven dat zijn aanvraag op feitelijke handelingen is gericht, terwijl het beoogde rechtsgevolg overduidelijk is, te weten herstel en normalisatie van zijn rechtspositie. De feitelijke handelingen die belanghebbende bedoelde, zijn de handelingen die de beschadigde rechtspositie mede hebben veroorzaakt. Het herstellen en normaliseren van die rechtspositie zijn echter publiekrechtelijke rechtshandelingen waarover een beslissing van het bestuursorgaan kan worden gevraagd (met een aanvraag).

Het bestuursorgaan is met de verwarring van belanghebbende aan de haal gegaan en heeft de opmerking van belanghebbende handig aangegrepen en misbruikt. De rechter is het bestuursorgaan hierin zonder meer gevolgd en dit duidt naar het oordeel van belanghebbende op partijdigheid. De rechter had vooropgesteld neutraal oog moeten hebben voor het beoogde rechtsgevolg, maar wreef in plaats daarvan de opmerking over feitelijke handelingen er tijdens de zitting nog eens extra bij belanghebbende in.

Negeren van cruciale door belanghebbende aangevoerde feiten

De rechter stapte volledig heen over het in de primaire aanvraag door belanghebbende genoemde beoogde rechtsgevolg alsmede over de verwijzing naar feiten die met het rechtsgevolg te maken hebben. Het rechtsgevolg staat expliciet in de aanvraag: 'herstel en normalisatie van mijn rechtspositie'

Hoogstens is er sprake van een incomplete aanvraag, maar dat doet er niet aan af dat de aanvraag een aanvraag in de zin van de Awb is. Wel had er dan een aanvulling volgens artikel 4.5 Awb plaats moeten vinden.

Weigeren om door belanghebbende aangevoerde feiten in het onderzoek mee te nemen

De rechter stelt in zijn verweer dat hij tijdens de zitting belanghebbende in de gelegenheid stelde alles naar voren te brengen wat hij relevant acht voor de zaak.

Hierin kan belanghebbende de rechter niet volgen.

De rechter stelde zich resoluut en stellig op jegens belanghebbende over de aanvraag die volgens hem geen aanvraag in de zin van de Awb kon zijn. Dat was volgens de rechter gewoon zo, er was geen speld tussen te krijgen door belanghebbende. Dit terwijl vanaf den beginne (in de primaire aanvraag) het beoogd rechtsgevolg vermeld is.

Naar het oordeel van belanghebbende is het beoogde rechtsgevolg voldoende aangegeven in de aanvraag en was er geen aanleiding om dat ter zitting aan te vullen.

Conclusie

Voor belanghebbende ligt alleen voor dat er niet tijdig werd besloten op een aanvraag. Dat is dan ook de titel van het beroep.

Voor het bestuursorgaan - en naar het oordeel van belanghebbende met hulp van een vooringenomen, partijdige rechter - ligt de focus op het miskennen van de aanvraag als aanvraag in de zin van de Awb. Dat willens en wetens met kennis van het door belanghebbende sinds het begin aangevoerde beoogde rechtsgevolg.