Hoger beroep

Bijgewerkt: wo 2 juni 2021 - 13:57 uur

> Start
> Aanvraag, ingebrekestelling en dwangsom
> Aanvraag onderzoek misstanden en rectificatie

Op 22 april 2021 deed Rechtbank Gelderland uitspraak in beroep ARN 20/6127.

Ray Heijder is het niet eens met de uitspraak en gaat in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.


Beroepsschrift hoger beroep

Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht

Onderwerp: Hoger beroep tegen uitspraak in beroep ARN 20/6127

Vaassen, 2 juni 2021

Geachte Raad,

Op 22 april 2021 heeft Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in beroep ARN 20/6127. In deze uitspraak verklaart de rechtbank mijn beroep niet-ontvankelijk.

Ik, R.M.F. Heijder wonende [adres] te Vaassen, ben het niet met deze uitspraak eens en stel er hierbij hoger beroep tegen in.

Naar mijn oordeel is Rechtbank Gelderland niet toegekomen aan een volledig en zorgvuldig oordeel en is dientengevolge mijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Ik verzet mij tegen het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van een beoogd rechtsgevolg.

De rechtbank is voorbijgegaan aan het in mijn primaire aanvraag expliciet benoemde beoogde rechtsgevolg, namelijk herstel en normalisatie van mijn rechtspositie. In de gerechtelijke uitspraak van 22 april 2021 wordt niets over dit beoogde rechtsgevolg gezegd, dus ook niet ongeldig verklaard.

De rechter en verweerder leiden naar mijn oordeel de aandacht af door aan te voeren dat het verrichten van een onderzoek een feitelijke handeling is, wat het in beginsel inderdaad is. Met mijn aanvraag van 13 augustus 2020 heb ik echter een verzoek gedaan om een besluit te nemen over herstel en normalisatie van mijn rechtspositie.
Een onderzoek naar misstanden en rectificatie – inderdaad een feitelijke handeling – is slechts een door mij in de aanvraag voorgestelde beste oplossing voor het herstel en de normalisatie van mijn rechtspositie. Bij een zorgvuldige behandeling van mijn aanvraag als daar – zoals het hoort bij een beoogd rechtsgevolg – aan toe was gekomen had door verweerder onderzocht moeten worden of het college de door mij voorgestelde oplossing nodig acht, eventueel vervangen door een alternatieve oplossing die volgens het college wel of beter aansluit op het beoogde rechtsgevolg.

Ik stel verder nog vast dat de rechtbank het argument over het ontbreken van een wettelijke basis op grond waarvan verweerder tot het voorgestelde onderzoek verplicht zou zijn prematuur aanwendt. Eerst nadat er erkenning is voor het door mij aangevoerde beoogde rechtsgevolg en de aanvraag naar waarde wordt behandeld, kan blijken dat verweerder een dergelijke oplossing niet nodig acht. Dat moet dan in een besluit worden bekendgemaakt. Bij een eventueel verzet daartegen dat de rechtbank haalt in beroep, zou de rechter met de uitspraak kunnen komen dat verweerder niet verplicht kan worden tot een dergelijke oplossing.

Tot slot voer ik nog aan dat ten gevolge van het negeren van het beoogd rechtsgevolg door verweerder er niet is toegekomen aan een zorgvuldige voorbereiding van een besluit, laat staan dat ik in de gelegenheid ben gesteld om mijn aanvraag nader te duiden door toelichting en/of aanvulling op grond van artikel 4:5 Awb.

Ik verzoek de Centrale Raad van Beroep om zich de buigen over de rechtsvraag of er inderdaad sprake is van het door mij aangevoerde beoogde rechtsgevolg en of er dientengevolge – in tegenstelling tot wat de rechter en verweerder stellen – toch sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Is dat het geval, dan was verweerder gehouden om een besluit te nemen en is mijn beroep van 13 november 2020 ontvankelijk en gegrond.

Hoogachtend,

R.M.F. Heijder
Vaassen, 2 juni 2021